ACTIVITEITEN

Het ontwerp van zo’n tinkeractiviteit lijkt een hele evenwichtsoefening. Hoe zorg je ervoor dat de deelnemers niet afhaken? Waar ligt die grens met knutselen of pure engineering-opdrachten waar de STEM’ers ons mee om de oren slaan? Waar en wanneer voorzie je als begeleider een extra speldenprik of twee?

 

Een centraal idee bij tinkering is dat er niet één juist antwoord is op de probleemstelling. Op het einde van de activiteit zouden de deelnemers een breed scala aan mogelijke oplossingen moeten bedacht en uitgewerkt hebben. De kiem hiervoor ligt bij de opdracht zelf: die is heel open en toegankelijk, zodat de leerlingen hun eigen ontwerpvraag kunnen stellen. Geen voorgekauwd A-naar-B-verhaal dus. Een verankering naar hun leefwereld helpt hen daarbij om nog gerichtere keuzes te maken.

De lat ligt hierbij meteen hoog –we zijn wel degelijk op zoek naar een oplossing! -, maar we verwachten niet dat iedereen daar meteen over raakt. Falen is ok en soms zelfs nodig. Uit minder geslaagde of zelfs ronduit mislukte producten kunnen we samen met de deelnemers veel info halen. Waar liep het fout? Is dit wel het juiste materiaal? Hoe heeft die andere leerling het proberen oplossen?

 

Rond deze centrale gedachte cirkelen nog een aantal belangrijke aandachtspunten. Tinkering werkt pas echt goed wanneer de deelnemers met elkaar, met hun resultaten en met de begeleider in dialoog gaan. Spontane samenwerkingen die de kop opsteken zijn bijna standaard, dus moet er bij het ontwerp van de activiteit voldoende kansen ingebouwd worden om met elkaar in interactie te gaan. Misschien krijgt niet iedere leerling hetzelfde materiaal of moeten de leerlingen als uitgangspunt sowieso al samenwerken aan één object. Het lokaal wordt er een stuk rumoeriger door, maar het loont!

Een tweede punt is de keuze die de begeleider maakt naar inhoudelijke insteek. Blijven we binnen een bepaald domein als techniek of beeld? Pikken we daar misschien een bepaalde inhoudelijke kern uit? Of maken we sprongen over de domeinen heen en gaan we op zoek naar de interactie tussen de verschillende inhouden?

Als derde aspect focussen we ons op de milestones die de deelnemers moeten behalen. Als we ervan uitgaan dat falen een quasi-noodzaak is, bouwen we als begeleider misschien best ook een aantal hindernissen in, waar de deelnemers over moeten. Of we kiezen ervoor om het traject een stuk te faseren en timen, door een aantal momenten in te plannen waar de deelnemers hun deeloplossingen aan elkaar voorstellen. Zo krijgen deze milestones ook een extra invulling als evaluatiemomenten.

Tenslotte misschien een evidentie: de keuze van materialen en technieken. Tinkering is de methode bij uitstek om eenvoudig en goedkoop materiaal in te zetten. Als tip hierbij: hou het simpel en prikkel de deelnemers met een gerichte selectie. Niets nefaster voor de creativiteit dan te veel opties en mogelijkheden. Door het speelveld te beperken, stimuleer je de deelnemers net meer om een stuk buiten de lijntjes te durven kleuren.

 

Maar hoe start je nu een tinkeractiviteit op? Als leerkracht ben je hier vrij in. Om je toch wat op weg te helpen, lijsten we hieronder de drie belangrijkste manieren op.

 

Tinkering vanuit materialen of technieken

Meester Marc gaat met zijn klas op bezoek naar een museum met oude industriële machines. Om zijn activiteit te starten geeft hij zijn leerlingen in kleine groepjes van ongeveer drie leerlingen een fotopuzzel waarop een detail van een machine afgebeeld staat. Dit detail toont een specifieke overbrenging (tandwielen, krukassen, ...). De leerlingen maken de puzzel en gaan in het museum op zoek naar de machine waar ze deze overbrenging kunnen vinden. Afspraak tien minuten later aan enkele grote tafels waarop een heleboel materiaal klaarligt. Hoe zag de machine uit waar jullie overbrenging inzat? Hoe zou die overbrenging werken? Zouden we hier zelf zo’m overbrenging in elkaar kunnen boksen? Wat gaan we daar mee aansturen?

Start elke activiteit met een inleiding waarbij je de deelnemers warm kan maken. De klemtoon van tinkering ligt op het zelf in handen nemen van het proces dus, blijf niet te lang stilstaan bij deze inleiding. Om de leerlingen goed op weg te helpen is het belangrijk om hen vooral een interessante en bevattelijke context te bieden. In het voorbeeld van hierboven zou dit een eindtandwiel kunnen zijn dat ze dat ze moeten laten draaien. Als begeleider kan je deze workshop het best voorbereiden door inspirerende vragen in je hoofd te hebben.

 

Tinkering vanuit objecten of verhalen

Juf Els verzamelt alle leerlingen van haar klas in een kring en neemt het boek “De Grote Vriendelijke Reus” in de hand. Op het einde van het verhaal moeten de leerlingen zelf een vervolg bedenken en dit aan elkaar voorstellen. Hiervoor staan er grote bakken met resten papier en karton en PMD klaar. Sommige leerlingen gooien zich op het bouwen van een grote robot die samen met de Reus op pad gaat, andere beginnen een decor te bouwen voor een stopmotion filmpje en een derde groep begint aan een eigen prentenboek door illustraties te knippen en plakken.

Indien je start met tinkeren vanuit een object of een verhaal, zoek je best naar zaken waarbij de deelnemers hun verwondering kunnen aanspreken. Dit kan bijvoorbeeld gaan over een verhaal waarbij iemand naar een andere planeet gaat waarna je de deelnemers vraagt om deze planeet voor te stellen. Als begeleider bereid je hier het best vragen voor die kunnen leiden tot deelopdrachten. Bijvoorbeeld: ‘Hoe kunnen de astronauten hun weg vinden als het helemaal donker is op deze planeet?’

 

Tinkering vanuit vakinhouden (domeinspecifiek of domeinoverscheidend)

Meneer Van den Borre wil in zijn lessen wiskunde de verhoudingen tussen lengte en oppervlakte verwerken in een korte tinkeropdracht. Hij geeft alle deelnemers verschillende papierformaten (A3, A4 en A5) in verschillende kleuren. De deelnemers mogen niet in de papieren knippen en mogen ze niet plooien. Toch moeten ze met deze beperkt aantal papieren een ‘kaartenhuisje’ bouwen. Elk huisje dat ze maken moet echter uit verschillende papierformaten opgebouwd worden.

De moeilijkste manier om te starten met een tinkeractiviteit is door te starten vanuit vakinhouden. Het is heel belangrijk om hier steeds aandacht te blijven houden voor de zelfgestuurde autonomie van de deelnemers. Het is dan ook moeilijk om een evenwicht te zoeken tussen die autonomie en het aanreiken van vakinhouden.

Een hulpmiddel hierbij kan zijn om al te vertrekken vanuit een bestaande opdracht of activiteit. Vaak zetten we leerlingen al aan de slag in de klas, bijvoorbeeld wanneer ze eenvoudige proefjes uitvoeren of experimenteren met een nieuw materiaal of techniek. Net deze inhouden lenen zich goed tot het omvormen naar een tinkeractiviteit door simpelweg het proces om te draaien: in plaats van vanuit aangereikte inhouden naar een sluitend antwoord toe te werken, kan je evengoed de leerlingen aan het werk zetten en hen sturen naar een mogelijke oplossing. Wie weet verrassen ze je onderweg wel met een denkpiste of resultaat dat je niet voorzien had.