DOELEN

Net als bij het gros van ons onderwijs gaan we bij tinkering twee verschillende soorten doelen nastreven. Belangrijkste verschil: door de open aanpak en nadruk op zelfgestuurd leren, is de methode vooral ideaal om generieke doelen te bereiken. De grootste groep van doelen die hieronder vallen zijn competenties.

Tinkering is een uitermate geschikt middel om aan die compenteties te werken. Deelnemers nemen zelf het initiatief en gaan hun proces zelf in handen nemen waardoor ze regelmatig aan zelfregulatie doen. Ze denken kritisch en creatief na over problemen die ze proberen oplossen. Ze leren communiceren en samenwerken met anderen en gaan zelf op zoek naar informatie. Via gesprekken met anderen bouwen ze hun inzicht op en verrijken ze hun eigen kennis.

 

Geen evident verhaal, maar gelukkig zijn er frameworks zoals die ontwikkeld door Bevan et al. (2017) die de begeleidende leerkracht helpen om gericht te observeren, de leerlingen ondersteunen om kritisch aan procesgerichte zelfreflectie te doen en voldoende houvast geven om een portfolio of videoverslag op te bouwen. De centrale punten van dit framework zijn belangrijke competenties die ook in de eindtermen stevig wat overlap vinden:

  • Initiatief & gerichtheid
  • Probleemoplossend & kritisch denken
  • Inhoudelijk inzicht
  • Creativiteit & zelfexpressie
  • Sociaal & emotioneel engagement

 

Naast generieke doelen, komen er bij tinkeractiviteiten natuurlijk ook domein- en vakspecifieke doelen aan bod. Dat zijn vaak specifieke technieken of vaardigheden, bijvoorbeeld deelnemers die zichzelf leren solderen na het bekijken van enkele Youtubefilmpjes of die samen met de buurman verschillende aanhechtingstechnieken uittesten. Maar evengoed komen er vanuit de eigen ervaringen en experimenten ook inhoudelijke doelen aan bod, bijvoorbeeld wanneer het bij een parachuteoefening gaat over zwaartekracht en valversnelling. Als leerkracht ga je die niet altijd vastzetten op het moment zelf, maar de leerlingen hebben het wel op dat moment aan den lijve ondervonden.

 

Voor de eindtermen secundair onderwijs wordt met de taxonomie van Bloom gewerkt. Bij deze taxonomie worden zes verschillende beheersingsniveaus gebruikt: herinneren, begrijpen, toepassen, analyseren, evalueren en creëren. Begeleiders die met tinkering aan de slag gaan zien de laatste drie beheersingsniveaus (analyseren, evalueren en creëren) heel vaak terugkomen in hun sessies.

 

Het wordt natuurlijk echt boeiend als je de doelen voor een stuk samen met de deelnemers gaat bepalen. Vertrek vanuit de globale doelen of competenties die je wil nastreven, maar durf doorheen het proces ook eens de bal in hun kamp te leggen. Zo verhoog je hun betrokkenheid en versterk je het eigenaarschap bij de groep.